Er werd een aantal maatregelen ingesteld om een slecht bewind te voorkomen. Het stelsel maatregelen heette het Res Publica (Republiek), d.w.z. ‘de algemene zaken die een ieder aangaan’. De Senaat, een raad van oudsten (senex: oude man), had weer een adviserende rol. Deze Senaat (150 leden) zetelde in de Curia, een gebouw op het Forum Romanum.
Twee mannen, de zg. consuls, hadden de macht, maar in tijden van oorlog kon de Senaat één consul aanwijzen als machthebber, de dictator.
Ook hier had men de strijd tussen het gewone volk, de plebejers en de rijken (de patriciërs). Om de rechten van de armen te beschermen werd het ambt van (volks)tribuun ingesteld. Een volkstribuun had de opdracht de belangen van het volk te verdedigen. Tribunen waren onschendbaar. Latere keizers lieten zich daarom ook tribuun noemen.

Langzamerhand breidde de stad Rome zijn macht steeds meer uit. Niet alleen de Etrusken in het noorden kwamen onder invloed van de Romeinen, ook de Grieken die lange tijd in het zuiden van het schiereiland heersten, moesten plaatsmaken voor de Romeinen.

Zelfs probeerden de Romeinen het gebied aan de andere kant van de Middellandse Zee te beheersen.
Langs de Afrikaanse kust, was een andere machtig zeevarend volk, die grote delen van Noord-Afrika en Spanje en zelfs Sicilië, Sardinië en Corsica omvatte. Zij stichtten de stad Carthago (bij het tegenwoordige Tunis), dat snel uitgroeide tot een bloeiend handelscentrum en een politieke en militaire grootmacht.

Van oorsprong kwamen de Carthagers uit Phoenicië, tegenwoordig Libanon
geheten. Vandaar dat de Carthagers ook wel Puniërs genoemd werden.
De Carthagers zagen de uitbreiding van de Romeinse macht met lede ogen aan. Het gevolg was strijd. In de zg. Punische oorlogen werd de Romeinse heerschappij, over het Middellandse Zeegebied een feit. Bijna was Rome echter ten onder gegaan, toen de Carthageense veldheer Hannibal met een enorm groot leger strijdolifanten in een verrassingsaanval vanuit het noorden, over de Alpen, de Romeinen aanviel. Hij durfde het echter niet aan Rome aan te vallen. Kort daarna werd hij teruggeroepen naar Carthago om slag te leveren tegen de Romeinen die Carthago aan wilden vallen.
Hannibal

Hannibal


De Carthageners werden in 202 v. Chr. verslagen en Carthago werd verwoest.
Het gebied behoorde vanaf toen tot de Romeinse provincie Afrika, waar vervolgens vele Romeinse kolonisten zich gingen vestigen.
Door de veroveringen kwamen de Romeinen in contact met andere culturen. Vooral de Griekse cultuur (beeldhouwkunst, filosofie, literatuur, retorica) had een bijzonder grote invloed op de Romeinse cultuur.
Daarbij kwam dat door de vele oorlogen het met de landbouw erg slecht ging. De boeren moesten immers in de legioenen strijden. Na de oorlogen trokken de boeren dan ook in grote getale naar de stad Rome om een nieuw bestaan op te bouwen. Maar ook vele slaven en vrijgelatenen uit veroverde gebieden gingen wonen in Rome.
Rome maakte ten tijde van de Republiek daardoor een grote groei door. De stad had in deze tijd zelfs meer dan een miljoen inwoners!
Het gevolg was wel dat de rijken landerijen opkochten en daardoor grootgrondbezitters werden.
Uit deze tijd stamt ook het systeem van ‘brood en spelen’. De rijken (patroni) zorgden voor gratis graan voor de inwoners en organiseerden gladiatorenspelen om het volk tevreden, rustig, maar vooral afhankelijk te houden. Als dank verichtten de inwoners vele karweien voor hun patroni. Zo waren er genoeg arbeidskrachten voor de aanleg van wegen, markten, aquaducten en de bouw van o.a. tempels. De aanleg van wegen en de bouw van markten, tempels en aquaducten werd gefinancierd uit de belastingopbrengsten van de groeiende handel.

Rond 150 v. Chr. beheerste Rome het westen van het Middellandse Zeegebied, dat het met enorme legers bewaakte en verdedigde. De troepen waren echter vaak trouwer aan hun generaals dan aan de politici (Senaat) in Rome. De generaals werden door de soldaten die thuis geen boerderijen meer hadden als beschermheer beschouwd. Zo kregen succesvolle generaals steeds meer macht. Het gevolg was dat een generaal als Julius Caesar, die tevens benoemd was tot dictator voor zes maanden, tamelijk eenvoudig de macht kon grijpen.
De Senaat had bepaald dat een dictator niet langer dan zes maanden het bewind mocht voeren, maar Julius Caesar benoemde zichzelf tot dictator voor het leven. Zijn betekenis voor het Romeinse Rijk is zeer groot geweest, getuige het feit dat hij meteen na zijn dood door de Senaat tot god werd verklaard (divus).

Julius Caesar